---
title: "4.1.2.3 Huisvesting"
canonical: "https://www.duurzaamvleesnatuurlijk.nl/space/dvn03/17170445/4.1.2.3%20Huisvesting"
format: markdown
---
Gedreven  door politieke en maatschappelijke druk is er meer aandacht gekomen voor dierenwelzijn en zijn veel vleesveestallen op weg om diervriendelijker te worden. Er is nu een grote variatie in stalsystemen, maar elk heeft zijn eigen voor- en nadelen. Op deze pagina zullen enkele systemen behandeld worden, daarbij wordt informatie gegeven op de algemene normen en ingegaan op dierenwelzijn.

## Huisvestingssystemen

Vleesvee kan gehuisvest worden in verschillende huisvestingssystemen. Belangrijk bij de huisvesting is het diercomfort. Er dient bij de stalinrichting en het toegepaste management dan ook rekening gehouden te worden met de intrinsieke waarde van het dier. Bij een goed diercomfort heeft het dier het naar zijn zin, dit kan leiden tot een betere prestatie. Zelfs tot wel 25 procent [(Schuring, 2000)](https://books.google.nl/books/about/Huisvesting_voeding_en_gezondheid_van_de.html?id=Dr5SGwAACAAJ&redir_esc=y).  

## Algemene normen ruimte

Voor vleesrunderen, met uitzondering van vleeskalveren, gelden geen wettelijke normen voor de leefruimte. In de biologische rundveehouderij wordt een norm gehanteerd van minstens 5 m² stalruimte per dier van 350 kilogram, met 1 m² extra per bijkomende 100 kilogram lichaamsgewicht. Als runderen, ouder dan één jaar, tijdens het weideseizoen niet worden geweid, moeten ze een uitloopmogelijkheid hebben. Deze uitloop is minimaal 30 m2 per stier en mag voor maximaal 75% overkapt zijn [(SKAL, z.d.)](https://www.skal.nl/certificeren/veehouderij/rundvee-en-paarden/huisvestingseisen-en-weidegang). In de gangbare landbouw, en zeker voor het Belgisch Witblauw-ras, zijn deze normen (1 m² per 100 kg) voor de ligruimte gebruikelijk, maar de uitloop is dan facultatief. Voor niet-dikbillen wordt vaak een norm van 0,75 m² per 100 kg lichaamsgewicht gehanteerd. In hellingstallen mag men de ligruimte iets kleiner nemen en wordt voor dikbillen een norm van 0,8 m² per 100 kg toegepast [(CIGR, 2004)](http://lbt.ltj.slu.se/publikationer/misc_pub/cigr-recommendations_b_c.pdf). 

Keurmerken stellen hun eigen eisen betreft leef oppervlakte. Voordat een product het Beter Leven Keurmerk mag dragen moet bijvoorbeeld aan eisen voor een minimaal aantal meter aan oppervlakte per dier worden voldaan. Afhankelijk van het aantal sterren, varieert deze oppervlakte van 5,4 tot 8,5 m2 per dier.

![image](media://d7bb9b84-2ee0-404e-b451-b3a0b93f6e89)

## Stalklimaat

Een goede ventilatie is één van de vereisten om diergezondheid, diercomfort, arbeidsomstandigheden en de technische resultaten te optimaliseren. Goede ventilatie zorgt voor de afvoer van ongewenste stoffen en de aanvoer van de noodzakelijke zuurstof. Een slechte ventilatie kan zorgen dat de concentratie aan ziekteverwekkers ho(o)g(er) is. Hiermee neemt het risico op diarree- en/of ademhalingsproblemen toe (Gansbeke et al., 2012). De ventilatie speelt indirect een rol, doordat deze drie zaken beïnvloedt: 

- de temperatuur
- de luchtvochtigheid
- de afvoer van toxische gassen (waaronder ammoniak).

Ziekteverwekkers gedijen goed bij een hoge temperatuur en luchtvochtigheid. Door ervoor te zorgen dat de staltemperatuur en –luchtvochtigheid niet te ver boven deze van de buitenlucht uitstijgen, vermijdt men opeenstapeling van microben in de stal. Aangezien de aanwezige dieren continu warmte en waterdamp produceren, is goede ventilatie een vereiste. Zo kan een volwassen rund 10 tot 25 liter water per dag uitscheiden, naast een hoeveelheid warmte die vergelijkbaar is met een radiator van 1000 Watt.

Zowel voor de dieren als voor de veehouder is voldoende verlichting in de stal van groot belang. Er is bekend dat de intensiteit en duur van het licht regime een grote invloed kan hebben op de gezondheid en levensspanne van de koeien. Een verstoord licht regime kan bijvoorbeeld sociale interacties maar ook ziekteweer verstoren (Toncho et al., 2014). De benodigde lichthoeveelheid kan zowel kunstmatig als natuurlijk worden verschaft. In het dakoppervlak wordt aangeraden acht tot tien procent van het totale vloeroppervlak te voorzien met doorzichtige dakplaten. In de gevels is dit tien tot vijftien procent van het vloeroppervlak, dit kan met ramen en ventilatieopeningen worden gedaan [(Boussery, 2004)](https://edepot.wur.nl/119441).

Het is belangrijk dat de stal een veilige plek is voor het vee, daarom dient de gezondheid en het dierenwelzijn gewaarborgd te worden. Risico’s ontstaan wanneer vloeren (te) glad zijn, het koe verkeer niet optimaal verloopt en wanneer er scherpe uitsteeksels zijn. Het is belangrijk om de stal te controleren op voorwerpen waaraan dieren zich kunnen verwonden en deze te verwijderen en ook smalle doorgangen of lastig bereikbare voer- of drinkplekken te voorkomen [(Schuring, 2000)](https://books.google.nl/books/about/Huisvesting_voeding_en_gezondheid_van_de.html?id=Dr5SGwAACAAJ&redir_esc=y).

Stalbezetting beïnvloedt de stal hygiëne. Bij een roosterstal heeft de stalbezetting minder invloed op de schoonheid van roosters dan met een strostal (Gansbeke, 2012). Strostallen zijn meer managementgevoelig en het is daarom belangrijk om niet te zuinig te zijn met het stro. Een voordeel is echter dat stro het dierenwelzijn bevordert en vervuiling voorkomt [(Schuring, 2000)](https://books.google.nl/books/about/Huisvesting_voeding_en_gezondheid_van_de.html?id=Dr5SGwAACAAJ&redir_esc=y). In een ruim gebouwde stal is het stroverbruik vaak lager. Een bedding dikte van minimaal 2 cm word aangeraden om kreupelheid te voorkomen (Rouha-Mülleder et al., 2009). Houd echter ook een stukje beton over, dit is namelijk bevorderlijk voor het slijten van de klauwen. Wanneer er geen betonnen grond aanwezig is, is een optie om roosters op te ruwen. Goed management van de stal draagt bij aan het welzijn van het vee.

Om een rustige en schone ligruimte te garanderen, is het van belang om in deze zone loop bewegingen te beperken . Het is daarom verstandig om eet en drink plaatsen te groeperen, bijvoorbeeld met behulp van een voerhek. Een centrale voergang (met vreetplaatsen aan beide kanten) is bij voorkeur minstens 5 tot 6 meter breed. Een zijdelingse voergang (met vreetplaatsen aan één kant) heeft bij voorkeur een breedte van minstens 4 tot 4,5 meter. De noodzakelijke breedte van een vreetplaats is afhankelijk van voerregime, diercategorie en ras, maar bedraagt voor volwassen dieren meestal rond de 75 cm (zie de Tabel 4.3).


![image](media://7327a1c4-b1c7-4501-8e7f-7e3c685d828f)

Regelmatig wordt gesteld dat water het belangrijkste voedermiddel is, maar hier wordt vaak  weinig aandacht aan besteed m.b.t. stalmanagement. Runderen moeten, zowel in de weide als in de stal, naar behoefte kunnen drinken. De waterbehoefte hangt af van het voedertype (vochtgehalte) en van de weersomstandigheden (temperatuur). Ongeacht de diercategorie en de aard van de stal moet het water van voldoende kwaliteit zijn (zowel chemisch als bacteriologisch vlak) en in onbeperkte mate beschikbaar zijn via een gemakkelijk bedienbare en toegankelijke installatie. Kleine, komvormige drinkbakken (met een diameter van 25 cm) zijn geschikt voor individueel gehuisveste dieren (bv. afkalfstal) en voor vrij rondlopende dieren in kleine groepjes (10 tot 12 stuks). Voor grotere groepen (20 tot 25 dieren) worden bij voorkeur drinkbakken met constant waterniveau voorzien. Dergelijke bakken zijn ongeveer 40 centimeter breed en diep. Om op een gemakkelijke manier te kunnen drinken moet de snuit namelijk enkele cm onder het wateroppervlak gehouden kunnen worden. De lengte van de drinkbak varieert in functie van de groepsgrootte. Bij voorkeur beschikt elke groep over minstens twee bakken. In principe moeten de drinkbakken dagelijks worden gecontroleerd op hun functioneren en waterkwaliteit (o.a. vervuiling door mest, voer, etc.) en regelmatig worden schoongemaakt. Kantelbare bakken en bakken voorzien van een stop helpen bij de schoonmaak van de drinkvoorziening.

> ℹ️ Verder doorlezen over huisvesting
> ℹ️ 
> ℹ️ - [Design recommendations of beef cattle housing](http://lbt.ltj.slu.se/publikationer/misc_pub/cigr-recommendations_b_c.pdf)
> ℹ️ - [Huisvesting van vleesvee (België) ](https://www.rundveeloket.be/sites/default/files/inline-files/Huisvesting_van_vleesvee_druk_2012.pdf)

## Dierenwelzijn, huisvesting en keurmerken 

In de Wet dieren staat de intrinsieke waarde van het dier centraal. Een dier heeft een eigen waarde en mensen hebben de morele verplichting om goed voor levende wezens te zorgen die van ons afhankelijk zijn. Naast het wettelijke aspect heeft het behartigen van dierenwelzijn een positief effect op de productie. Een veehouder kan met het nastreven van een goed dierenwelzijn inspelen op de wensen van de consument. 

> Macro (widget)


**Wat houdt welzijn eigenlijk in?**

Velen hebben getracht om dierenwelzijn te definiëren. Een voorbeeld is de definitie door Bracke et al. (1999): "dierenwelzijn is de kwaliteit van leven zoals deze door het dier zelf wordt ervaren ”. Een dier ervaart een positieve staat van welzijn indien het de vrijheid heeft om normale, soorteigen gedragspatronen uit te voeren en het in staat is om adequaat te reageren op de uitdagingen die de heersende omstandigheden bieden. Een ander voorbeeld is de vijf vrijheden als opgesteld door Brambell *et al.* (1993). Deze heeft als uitgangspunt voor goed dierenwelzijn dat de dieren vrij moeten zijn: (1) van dorst, honger en onjuiste voeding, (2) van fysiek en mentaal ongerief, (3) van pijn, verwondingen en ziektes, (4) van angst en chronische stress en (5) om hun natuurlijke gedrag te vertonen. Echter, heeft welzijn niet enkel te maken met het voorkomen van negatief welzijn maar moet het juist ook gericht zijn op het stimuleren van positief welzijn. Dit is ook opgenomen in de zes principes tot Dierwaardige veehouderij (Figuur 4.11.) van de Raad voor Dieraangelegenheden en zal worden opgenomen in het nieuwe regeerakkoord.

![image](media://7cb4031c-2ddf-4a6f-b038-ab93556d3011)

Naast de 6 principes voor een dierwaardige vehouderij kan dierenwelzijn gedefinieerd worden door ‘The three circles model animal welfar’ (Figuur 4.12, Fraser, 2008). Deze definitie gaat ervanuit dat welzijn afhangt van drie hoofddomeinen, alle drie de domeinen hebben een relatie tot elkaar maar het najagen van een hoog welzijn in het ene domein staat niet garant voor een verbetering in het andere domein. Het eerste domein is basis gezondheid en functioneren. Het tweede domein is natuurlijk bestaan. Dit tweede domein vertegenwoordigd bijvoorbeeld de behoefte van dieren om natuurlijk gedrag te kunnen uitvoeren. Het derde domein is affectieve staat van het dier. Affectieve staat van het dier kan gezien worden als een paraplu definitie voor staten die kunnen variëren in aard zoals een emotie en een gemoedstoestand (Kremer et al., 2020). De met de aard van een staat wordt bedoeld hoe het ervaren kan worden, dit kan positief, negatief of zowel positief als negatief zijn (Paul & Mendl, 2018). Het verschil tussen emoties en een gemoedstoestand is dat een emotie gedefinieerd is als een (kort durende) reactie op een stimulus en een gemoedstoestand meer een langer durende “free floating” basislijn is die wordt ervaren in de absentie van emoties (Kremer et al, 2020).

![image](media://0c41a678-2ee9-44b1-ba99-c3444ee81cc0)

**Keurmerken**

Een keurmerk maakt inzichtelijk wat de (minimale) eisen waren voor de leefomstandigheden van het dier. Verschillende keurmerken proberen ieder op hun eigen manier invulling te geven aan dierenwelzijn. Het Beter Leven keurmerk van de Dierenbescherming scoort producten op basis van verschillende criteria. Bij vleesrunderen wordt gekeken naar weidegang, de ruimte, de ligplaats en of het kalf bij de moeder mag blijven. Hoe beter een product scoort, hoe meer sterren het ontvangt. De eisen die achter deze scoremethodiek zitten, dragen volgens de Dierenbescherming bij aan een  verhoogd dierenwelzijn. Hoe meer sterren een product krijgt, hoe hoger het dierenwelzijn is voor het dier. Op deze manier wordt geprobeerd het dierenwelzijn te waarborgen.

> Macro (widget)


> ℹ️ Veder lezen over dierenwelzijn
> ℹ️ 
> ℹ️ - [Welfare Quality Protocol (cattle, pig and poultry)](http://www.welfarequalitynetwork.net/en-us/reports/assessment-protocols)
> ℹ️ - [Hoe meet je dierenwelzijn?](https://edepot.wur.nl/181648)
> ℹ️ - [AWIN welfare assessment for goats](#)
> ℹ️ - [The five domains model of animal welfare](https://www.mdpi.com/2076-2615/10/10/1870/htm)